10 min leestijd

De laatste menselijke kanonskogel

De laatste menselijke kanonskogel
Ilustratie: Lisanne Meijer

Tegenwoordig kennen wij de menselijke kanonskogel alleen nog uit het circus. Ooit een menselijke kanonskogel gezien? Een mens klimt in een reuzegroot kanon, dan tromgeroffel, er klinkt een knal, die mens vliegt door de circustent en komt met een grote boog in een net terecht. Iedereen juicht en klapt. Wat een gevaar! Wat een sensatie!

Jouw oma en opa weten vast nog dat menselijke kanonskogel ooit een echt beroep was en helemaal geen circusact. Er waren ooit honderden menselijke kanonskogels in ons land. De vader van Davi Berg uit de vijfde, bijvoorbeeld, die was van beroep menselijke kanonskogel. Iedere ochtend om acht uur vertrok hij naar zijn werk. Hij gaf zijn vrouw en kinderen een kus, stapte in de auto en draaide het raampje open.

‘Tot vanavond!’ riep hij.

‘Werk ze!’ riep mama Berg terug.

Daarna bracht mama Davi en zijn kleine zusje Maisa naar school en ging zij zelf door naar haar eigen werk. Ze was verpleegster in een tehuis voor oude mensen.

’s Avonds, bij het avondeten, vertelden ze allemaal van hun dag. Davi vertelde van de aardrijkskundeles. Maisa vertelde van haar keuzewerkje. Mama vertelde wie er dood was gegaan, en wie nog net niet. En papa, ja papa – die kon zo mooi vertellen over zijn werk.

Davi had ook al eens een spreekbeurt gehouden over het werk van zijn vader. Er werkten bij papa nog veel meer menselijke kanonskogels. Het werk gebeurde in een grote hal, vertelde Davi in zijn spreekbeurt. In die hal stonden speciale kanonnen, wel vijfendertig. Papa Berg werkte bij het grootste en bekendste menselijkekanonskogelbedrijf van het hele land. Ze hadden daar wel drie van die enorme hallen en een kantoor van vijf verdiepingen met een marmeren entree. Ergens in de buurt van Schiphol zat het bedrijf, wat handig was voor klanten uit het buitenland. Om beurten klommen de menselijke kanonskogels in de kanonnen en werden ze afgevuurd. Ze moesten landen op een speciale landingsinstallatie, waar ze ook metingen deden. Er werden er steeds nieuwe sprongen bedacht, en nieuwe manieren om te landen. Het was een erg afwisselend beroep.

Soms ging papa Berg op reis naar het buitenland om te praten met de menselijke kanonskogels daar en om te kijken hoe ze het daar deden, zodat we er hier weer van konden leren. De kanonnen werden trouwens ook steeds beter. Die konden steeds verder schieten, en tegelijk werden ze steeds veiliger, door de techniek die almaar beter werd.

Davi had een paar foto’s van zijn vader de klas laten rondgaan. Papa Berg op het laddertje tegen het kanon. Papa Berg met alleen zijn bovenlijf uit de loop van het kanon. Papa Berg vliegend door de lucht. Iedereen vond het een prachtige spreekbeurt en de meester gaf hem een negen. Sommige jongens zeiden dat ze later ook menselijke kanonskogel wilden worden. De meester zei dat ze dan eerst erg hun best moesten doen op school, want het was een lange en moeilijke studie, net zoiets als wanneer je piloot wilde worden in een Boeing.

Maar op een dag kwam papa Berg niet zo vrolijk thuis van zijn werk.

‘Wat is er aan de hand?’ vroeg mama, terwijl ze de spaghetti opschepte. ‘Ging het niet zo goed op je werk vandaag? Je bent zo stil …’

‘Bezuinigingen,’ antwoordde papa. ‘Er zijn vandaag weer drie collega’s ontslagen.’

‘Wat zijn dat, pap, bezuinigingen?’ wilde Maisa weten. ‘En wat zijn eigenlijk collega’s?’

‘Collega’s,’ legde Davi aan zijn zusje uit, ‘dat zijn andere mensen van papa’s werk, die ook menselijke kanonskogel zijn.’

‘Ja,’ zei papa, ‘omdat er niet meer zo veel geld is kunnen die collega’s geen menselijke kanonskogel meer zijn. Ze moeten een ander beroep kiezen.’

‘Maar hoe komt dat, pap?’ vroeg Maisa. ‘Het is toch hartstikke belangrijk werk, menselijke kanonskogel?’

‘Het komt allemaal door dat artikel in de krant,’ zei papa. ‘Daar is het mee begonnen. De mensen waarderen niet meer wat een menselijke kanonskogel doet.’

Ja, dat artikel in de krant … Daar hadden ze het vaak over gehad aan de eettafel. Eerst lacherig, toen boos en later ook wel een beetje benauwd. In de krant stond namelijk zo maar opeens dat een geleerd iemand – nou ja, zogenaamd geleerd dan – dat die had gezegd dat menselijke kanonskogels helemaal nergens voor nodig zijn. Dat ze alleen maar een heleboel geld kosten. Dat was natuurlijk onzin, maar er waren toch mensen, steeds meer mensen, die het geloofden. Mensen geloven nu eenmaal alles wat er in de krant staat.

Een paar dagen later begon het gedoe ook op school.

‘Jouw vader is toch menselijke kanonskogel?’ vroeg Jack, een jongen uit groep zes.

‘Ja, nou en?’ zei Davi.

‘Nou,’ zei Jack, ‘volgens mijn vader zijn menselijke kanonskogels overbodig.’

Overbodig? dacht Davi, wat is dat? Het zou wel te maken hebben met dat krantenbericht. Maar hij zei niks.

‘Ja,’ ging Jack verder, ‘en ze zijn altijd overbodig geweest ook, zegt mijn vader. Ze hadden er net zo goed nooit geweest kunnen zijn.’

‘Nietes!’ riep Davi verontwaardigd. ‘Niet waar! Je vader begrijpt er helemaal niks van.’

‘O nee? Leg jij me dan maar eens uit wat het nut is van menselijke kanonskogels.’

Davi was zo kwaad dat hij zo gauw het goeie antwoord niet wist. Hij draaide zich om en liep kwaad weg.

‘Pap,’ vroeg Davi die avond tijdens het eten, ‘op school zeggen ze dat jij overbodig bent. Wat is dat eigenlijk, overbodig?’

Even was het stil. Papa en mama keken elkaar aan.

‘Zie je,’ zei papa toen, ‘zo ver is het gekomen. Nou worden mijn eigen kinderen ook al lastiggevallen.’ Hij legde zijn mes en vork neer en liep de kamer uit. Davi schrok. Dat had hij niet verwacht. Maisa begon te huilen en kroop bij mama op schoot.

‘Begin er maar niet meer over, Davi,’ zei mama. ‘Papa is een beetje van streek de laatste tijd, vanwege, nou ja, wat er allemaal gezegd wordt en geschreven.’

‘Maar mama,’ zei hij, ‘er is toch niks van waar, hè, van wat ze zeggen?’

‘Tuurlijk niet, lieve jongen. Ze begrijpen er niks van.’

‘Maar …’ Davi durfde bijna niet te zeggen wat hij wilde vragen, maar hij deed het toch, want papa was boven. ‘Waarom zijn er dan menselijke kanonskogels?’

‘Omdat,’ zei mama, en ze dacht even na. ‘Omdat ze er altijd zijn geweest. En ze zullen er altijd zijn. Opa was menselijke kanonskogel, oom Wander is menselijke kanonskogel, papa is menselijke kanonskogel. En op een dag ben jij misschien ook menselijke kanonskogel. Of iets anders, als je liever iets anders wilt worden.’

‘Maar waaróm dan? Waarom zijn ze er altijd geweest?’

Maisa keek op naar haar mama. Zij begreep er natuurlijk nog niks van, ze was nog te klein voor grotemensendingen. Maar ze voelde al wel dat mama iets belangrijks ging zeggen. Iets dat haar grote broer heel graag wilde weten.

‘Waarom, waarom? …’ zei mama. ‘Jullie altijd met je waarom. Waarom zijn er bakkers en groenteboeren? Waarom zijn er bouwvakkers? Waarom zijn er kranten? Waarom zijn sommige mensen directeur, terwijl andere mensen al het werk moeten doen? Waarom worden mensen oud en komen ze in een tehuis en gaan ze daar dood? Davi, er is zo veel wat we niet weten. Wen er maar aan. En nou je eten opeten. Verdikkeme, sta ik daar nou uren voor in de keuken? Maisa, ga papa roepen.’

En daarmee was het gesprek afgelopen. Voorgoed. Niemand durfde er meer over te beginnen.

Maar voor Davi was het niet afgelopen. Steeds vaker vroeg hij zich dingen af waar hij vroeger helemaal niet over nadacht. Ergens klopte iets niet. Bakkers bakten brood. Groenteboeren verkochten sla, andijvie en peren. Bouwvakkers maakten huizen. Maar menselijke kanonskogels, wat maakten die eigenlijk? Reuzensprongen uit een kanon, ja, maar kon je die eten? Of erin wonen? Kapotte dingen mee repareren? Niks kon je ermee … Maar er moest toch een reden voor zijn? Davi kwam er niet uit en er was nu ook niemand meer aan wie hij het kon vragen.

Voortaan was het stil aan tafel tijdens het avondeten. Geen verhalen meer over school en over werk. Op school ging Davi zo veel mogelijk Jack uit de weg, en ook de jongens die later menselijke kanonskogel wilden worden. Die wilden dat vast allang niet meer. Alleen Davi zelf was vastbesloten. Niets of niemand kon hem er van weerhouden later bij de menselijke kanonskogels te gaan.

Maar op een dag, een gewone dag – het regende geeneens, de zon scheen – op een dag kwam papa thuis met de boodschap die er al heel lang zat aan te komen. ‘De fabriek gaat dicht,’ zei hij, terwijl mama de pasta met broccoli opschepte. ‘Ik ben ontslagen. Ik hoef morgen niet meer op mijn werk te komen.’

Het was doodstil. De lepel met de saus bleef boven Davi’s bord hangen.

‘Ik heb gebeld met Wander,’ ging papa verder. ‘Die staat ook op straat. In het hele land gaan de bedrijven dicht. Er is geen houden meer aan. Het is gedaan met de menselijke kanonskogel. Voorbij …’

En toen zag Davi iets wat hij nog nooit had gezien. Een traan rolde uit papa’s oog over zijn wang en viel op zijn bord.

De volgende dag was heel gek. Papa stond gewoon voor het raam te zwaaien, toen mama Davi en Maisa naar school bracht. Net als wanneer hij ziek was. En ook de dagen en weken daarna ging het zo. Papa steeds voor het raam als ze vertrokken en ook gewoon thuis als ze van school kwamen. In het begin was hij vooral boos en verdrietig. Mama en de kinderen probeerden hem een beetje op te vrolijken en te troosten. Mama kletste de hele tijd tegen hem over van alles en nog wat. Elke dag had ze wel iemand gesproken die het ook een schande vond, dat er opeens geen menselijke kanonskogels meer waren, dat het zo’n vreselijk gemis was. En dat vertelde ze dan aan papa en dan waren ze samen boos.

Maar na een poosje zakten de boosheid en het verdriet weg bij papa en werd hij stiller en stiller. Hij stond ook niet meer bij het raam als ze naar school gingen. En ook al had hij de hele dag alle tijd, toch deed hij steeds minder in het huis. Tenminste, dat zei mama. Daar gingen ook de eerste ruzietjes over.

‘Je had dan toch ten minste die lamp kunnen vervangen?’ zei mama. Papa at zwijgend zijn linzensoep.

‘En ben je nou al naar het uitzendbureau geweest?’ vroeg mama verder. Maisa wilde weten wat dat was, een uitzendbureau.

‘Dat is waar ze werk hebben, voor als je werkloos bent,’ legde Davi uit. En toen moest hij werkloos uitleggen aan haar. Hij had al een heleboel geleerd over werkloos zijn, de laatste weken. Hij zou daar zo een spreekbeurt over kunnen houden. Maar ja, dat kon natuurlijk niet, want iedereen op school wist natuurlijk best dat zijn vader een werkloze menselijke kanonskogel was, ook al zei niemand het hardop.

‘Nou, ben je geweest of niet?’ drong mama aan, want papa gaf geen antwoord.

‘Morgen,’ zei hij.

‘Morgen, morgen … Waarom niet vandaag? Je hebt toch verdorie alle tijd, man? Hou op met dat gemok.’

‘Mama,’ zei Davi zachtjes. Hij kon er niet tegen als papa en mama ruzie hadden. Vroeger was er nooit ruzie. Het was niet eerlijk. Papa was al ontslagen en werkloos en nou ging mama hem ook nog eens op zijn kop geven. Maar mama ging gewoon door en papa bleef stug zijn mond houden.

‘Zet het uit je hoofd,’ kibbelde ze. ‘We moeten de tering naar de nering zetten.’

‘Oh-hoh, je mag geen tering zeggen!’ riep Maisa.

‘Nee, sufferd,’ zei Davi, ‘dat is een spreekwoord. Dat betekent dat we arm worden. Toch, mam?’

Mama luisterde niet. Ze ratelde maar door. ‘Er zijn zat banen, hoor. Bij ons zoeken ze nog iemand op de administratie. Ik kan een goed woordje voor je doen. Straks kunnen we niet eens op vakantie. Zitten we zes weken thuis. Alsof dat zo’n pretje is, zoals het de laatste tijd gaat.’

‘Hou nou eindelijk eens je waffel!’ riep papa. ‘Ik ben menselijke kanonskogel. Ik ben niet van de administratie. Als jij dat niet begrijpt, dan … dan …’ Wat dan wist papa zou gauw niet. Hij stond op, liep de kamer uit en sloeg de deur achter zich dicht. Ze hoorden hem de trap op bonken. Dat gebeurde de laatste tijd vaker. Dan zat papa uren boven in het kleine werkkamertje en niemand wist wat hij daar deed.

‘Papa?’ fluisterde Davi. Hij was na het eten naar boven geslopen en klopte op de deur.

‘Ja?’ klonk het.

Davi opende voorzichtig de deur en ging het kamertje binnen. Zijn vader zat aan zijn bureau en bladerde in de boeken die hij van zijn werk had meegenomen.

‘Papa, mag ik binnenkomen?’ Papa knikte. Davi ging op zijn vaders schoot zitten, iets wat hij al heel lang niet meer had gedaan. Omdat hij daar nu eigenlijk te groot voor was. Maar ook omdat papa zo stil was geworden, en zich bijna niet meer met het gezin bemoeide. Hij keek in de boeken en bestudeerde de plaatjes. Tekeningen waren het van menselijke kanonskogels, die langs gebogen stippellijnen uit de kanonnen vlogen. Er stonden ook getallen bij, en rekensommen die zo moeilijk waren dat je ze geen rekenen meer noemt maar wiskunde.

‘Pap,’ zei Davi, kan ik nou later nog wel menselijke kanonskogel worden?

Papa zuchtte diep en sloeg zijn armen om zijn zoon. ‘Ik ben bang van niet, jongen. Er is geen droog brood meer in te verdienen. De school voor menselijke kanonskogels is ook dicht. De meesten hebben ook al ander werk gevonden.’

‘Maar pap, ik wil het zo graag. Ik heb het altijd al gewild. En ik wil ook niks anders worden.’

‘Ach, Davi, je hebt nog zoveel tijd. Je zit pas in de zesde. Over een paar jaar ga je naar de middelbare. Daarna verder leren. Maak je niet te druk. Er komt vanzelf iets voorbij.’

‘Pap …’

‘Ja?’

‘Pap, ik wil dat jij nooit iets anders wordt, hoor.’

‘Hm-hm …’

‘Ik bedoel, iets anders dan menselijke kanonskogel.’

‘Hm-hm …’

‘Denk je dat je ooit weer een baan vindt?’

Papa zei niets. Hij hield Davi stevig in zijn armen. ‘Ik …’ zei hij toen, maar zijn stem zat verkeerd in zijn keel. Hij kuchte eens. ‘Ik kan net zo goed op de kermis gaan staan, of een circusact worden. Met een zilveren pak aan en een clownsneus op door de tent vliegen. Misschien dat de mensen dat mooi vinden.’

Davi begreep heel goed dat papa het niet meende, dat van het circus. Hij was weer eens in zo’n bui die mama cynisch noemde. Grappig, maar niet om te lachen dus. En als papa cynisch was, kon je maar beter helemaal niks zeggen, want niks hielp daartegen. Ze bladerden nog wat in de boeken, totdat mama kwam zeggen dat Davi naar bed moest.

‘Dag, pap, welterusten,’ zei Davi en hij keek nog een keer om bij de deur. Zijn vader zei niks. Hij staarde door de plaatjes in de boeken heen naar vroeger, naar toen hij nog menselijke kanonskogel was.

Ilustratie: Lisanne Meijer

Alle verhalen op deze site zijn gepubliceerd onder een Creative Commons BY-NC-ND 4.0 licentie. Je mag de verhalen vrij voorlezen en delen, zolang dit niet voor commerciële doeleinden is en je Rien Wertheim als auteur vermeldt. Bewerkingen of aanpassingen zijn niet toegestaan.

Creative Commons-licentie