Dierendag
De verkoopster vraagt waar zijn interesse naar uitgaat en Bradley denkt: Naar een dier dat je gemakkelijk dood kan maken, maar dat wel genoeg punten oplevert.
‘Een huisdier,’ antwoordt hij in plaats daarvan.
Ze zegt dat hij daarvoor aan het juiste adres is bij de Diersuper. Waarom kijkt hij niet even rustig rond? Daar – ze wijst het aan – vindt hij de visachtigen en amfibie-achtigen, verderop de reptielachtigen, dan naar links de vogelachtigen en in het middenpad de kat- en hondachtigen en daar weer achter de knaagdierachtigen en konijnachtigen. Alle prijzen staan erbij en bij meer dan twee stuks gelden kortingen. Kooien, manden, riemen, speelgoed en diervoeding vindt hij bij de kassa’s.
De Diersuper lijkt nog het meest op een bouwmarkt: een grote, hoge hal met ruime winkelpaden, zij het dat ze hier geen verf en gereedschappen verkopen, maar levende wezens. Medewerkers zijn herkenbaar aan een groene broek en groene polo met de opdruk: Vraag deze dierenvriend alles. Bradley wandelt langs de aquariums, in zijn hand zijn telefoon met het dierenlijstje van Willow, of eigenlijk het lijstje van Carson, dat Willow hem heeft doorgestuurd. Carson is de bedenker, Willow de boodschapper, de anderen – losers zoals hij – doen het vuile werk. Een beest kopen, bijvoorbeeld, in een dierenwinkel ergens in een buitenwijk drie kwartier met de bus, alleen om het daarna van kant te maken.
De vissen kan hij vergeten. Die leveren nul punten op. Jammer, maar ook wel logisch: een vis doodmaken is te makkelijk en je voelt er niks bij. Hetzelfde geldt voor de amfibieën: nul punten – kikkers om zeep helpen is voor kinderen. Bij ‘Reptielen’ staat: ‘Informeer voor punten’. Informeren bij Willow gaat hij niet doen. Die moet het dan weer aan Carson vragen. Kost allemaal tijd. Bovendien, een slang afmaken – gaat dat net als bij een worm, dat de stukken blijven kronkelen als je de slang doorsnijdt? Nee, dank je, geen slangen. Dat is trouwens ook zo bij kippen: die lopen nog een tijd rond als ze al dood zijn, zelfs als je ze de kop afhakt – erg onhandig. Je moet ze ook eerst zien te vangen, de vogelachtigen. Honden en katten ziet hij niet zitten, of het moeten pups of kittens zijn, die je bijvoorbeeld tegen een muur gooit of in een zak doet en verzuipt, zoals vroeger zijn opa deed op de boerderij, maar voor jonkies krijg je sowieso geen punten, wat voor dier het ook is. Laat hij maar eens bij de knaagdieren en de konijnen kijken.
Het winkelpad Knaagdieren en Konijnen is een lange rij kooien en bakken van plexiglas, keurig gespiegeld, net als de blikken conserven en de potten augurken in de echte supermarkt. Erboven hangen lampen, dat je de dieren goed kan zien, en bordjes waarop staat wat voor knaagdieren in de kooien zitten: cavia’s, hamsters, muizen, ratten, gerbils, chinchilla’s en aan het eind de konijnen. Bradley wandelt langs de nulpuntigen – de muizen, de ratten, de chinchilla’s – zonder er aandacht aan te besteden. Sorry muizen, ratten, chinchilla’s: sterf lekker zelf. Cavia’s, gerbils en hamsters laat hij ook links liggen – die leveren dood niet meer dan dertig punten op. De konijnen, daar moet hij zijn. Een konijn is vijftig punten. Dat is nog veel te weinig voor de honderdvijftig punten om bij Carsons club te horen, maar op dierendag geldt twee keer de punten als je de video ook op dierendag post. Dat is dus meteen honderd punten voor een konijn. En je verdient nog eens vijfentwintig bonuspunten als je het dier met de hand afmaakt – is honderdvijfentwintig. Op klaarlichte dag levert nog eens tien bonuspunten op: honderdvijfendertig. En met veel mensen in de buurt kun je wel vijftig bonuspunten scoren. Stel, hij post een video dat hij het konijn voor Centraal Station killt, dan zit hij al op honderdvijfentachtig. Dat schiet op. Hij bungelt dan met die honderdvijfentachtig punten nog wel onderaan in de groep, maar hij kan opklimmen door klusjes te doen voor Carson of Willow, of door af en toe een extra dier dood te maken.
De konijnen van de Diersuper zitten met twee of drie stuks in de kooien. Er zijn grote, kleine, langharige, kortharige, met lange oren, met korte oren, met effen vachten, met gevlekte vachten. Er staan bordjes bij de kooien met de merknamen van de konijnen: Sallander, Deilenaar, Vlaamse Reus, Japanner, Dwergkonijn, Hollandertje. Die van de Deilenaar is de enige kooi met maar één konijn. Laat hij de Deilenaar maar doen. Die heeft geen vriendjes die hem gaan missen. Of haar: of het een mannetje is of een vrouwtje staat er niet bij. Maakt niet uit ook. Morgen is de Deilenaar dood, of hij nou een zij is of zij een hij. De prijs valt mee: tweeëntwintig vijftig. Dat is veel als je bedenkt dat het maar voor één dag is, maar belachelijk weinig voor wat hij ervoor terugkrijgt: vaker Willow zien. En door haar gezien worden.
Bradley schiet een verkoper aan en zegt dat hij een vraag heeft over het konijn Deilenaar.
‘Zijn het kwetsbare dieren?’ wil hij weten.
‘Niet als je voorzichtig doet en ze goed verzorgt. En ze de juiste voeding geeft.’
‘Maar ik bedoel, kunnen ze tegen een stootje?’
‘Een stootje?’
‘Ja. Net als kakkerlakken. Die gaan nog niet eens dood als je de hak van je schoen erop zet en heen en weer draait, zo …’ Hij doet het voor. ‘Dan til je je voet op en rennen ze alsnog weg.’
De verkoper kijkt hem geschrokken aan. ‘Kakkerlakken? Een konijn is geen kakkerlak,’ zegt ze. ‘Je kunt er niet op gaan staan, hoor, stel je voor. Het zijn eigenlijk heel kwetsbare beestjes. Alleen geschikt voor echte dierenvrienden.’
‘Fijn, dat wilde ik even zeker weten. Ik ben namelijk een echte dierenvriend.’
‘Ik raad je aan er twee te kopen. Of drie, met korting. Niet alleen maar ééntje. Konijnen zijn sociale dieren. Ze kunnen niet tegen eenzaamheid. Daar gaan ze op den duur dood van.’
‘Ik ben er toch ook?’ zegt Bradley. ‘Dan hebben we elkaar en dan zijn we allebei niet eenzaam. Haha!’
‘Ik vind het zielig, een konijn alleen. Maar je moet het zelf weten.’
Zielig? denkt Bradley. Kom morgen naar Centraal Station, dan laat ik je zien wat zielig is …
Hij rekent af en verlaat de Diersuper met een konijn van het merk Deilenaar in zijn armen. Een echte dierenvriend met zijn konijn, ziet hij de mensen denken.
*
Thuis in zijn kamer probeert Bradley het uit. Hij voelt hoe dun het konijnennekje is. De top van zijn duim raakt met gemak de top van zijn wijsvinger als hij het nekje omsluit. Fluitje van een cent wordt dat. Hij pakt zijn eigen keel. Hoe voelt dat eigenlijk, gewurgd worden? Hij knijpt. Aan beide kanten van zijn strot pompt zijn hart het bloed op en neer. Knap toch, hoe een mensenlichaam in elkaar zit. Knap, maar ook kwetsbaar. Het bloed stijgt naar zijn hoofd. Nog harder knijpen. Zijn hart klopt nu ook achter zijn ogen, zijn oren suizen, maar dood gaat hij nog lang niet. Jezelf wurgen kan niet – daar heeft de natuur voor gezorgd. Je gaat out voordat je dood bent. Iemand anders wurgen kan wel, natuurlijk, maar Willow kon hem niet zeggen hoeveel punten dat zou opleveren toen hij ernaar vroeg. ‘Mens’ stond niet op het dierenlijstje – logisch. Dat hij aan Carson dacht om te wurgen, durfde hij er niet bij te zeggen. Hoeveel punten zou Carson zichzelf geven op een mensenlijstje? Nul zou zijn overlevingskansen verhogen, maar nul gaat niet, als je nagaat hoe belangrijk Carson zichzelf vindt. Je hebt in zijn denksysteem de piramide van dieren; daarboven mensen – mannen eerst, dan vrouwen; daarboven de leden van zijn cluppie; daarbinnen eerst de sukkels – nog wel boven de aspirantsukkels, zoals Bradley; boven de sukkels zijn liefje Willow en helemaal bovenaan: Carson zelf. Het hoogste dier op het officiële dierendoodmaaklijstje is een paard: vijfduizend punten. Stel, een mens is twee keer de paardwaarde, tienduizend punten, dan moet Willow zeker twintigduizend zijn. En Carson zelf? Vijftigduizend? Honderdduizend? Honderdduizend! Dat is hoeveel konijnen? Tweeduizend konijnen … Terwijl – als hij zou moeten kiezen tussen Carson en een konijn ... Ja, eigenlijk zou hij Carson dood moeten maken. In één keer klaar. Dan wordt Willow zíjn liefje en kan de club worden opgeheven en het dierenlijstje in de prullenbak.
Hij zet het konijn op de grond en gaat zitten in zijn gamestoel. Sorry konijn,’ zegt hij, ‘Morgen ga je eraan. Ik probeer een meisje te versieren. Geniet van je laatste dag op aarde.’
Hij draait de stoel naar zijn computer. Even een berichtje aan Willow tikken.
‘In dat geval lust ik nog wel wat lekkers,’ klinkt achter hem een meisjesstem. Met een ruk draait Bradley zijn stoel naar de kamer. Wie is daar binnengekomen? Niemand, de deur is dicht.
‘Sla, witlof, andijvie, misschien een worteltje erbij?’
Het is het konijn. Ik heb te veel geblowd, denkt Bradley. Of mijn geweten speelt op en spreekt me toe via het konijn. Hier was hij al bang voor geweest, zijn geweten, dat rotding. Nooit laat het van zich horen, behalve als het helemaal niet uitkomt. Het zit ergens in hem verstopt, honderd procent, loerend op een kans. Als een kankertje dat een kanker wil worden. Stom van hem om het konijn een dag van tevoren te kopen. Beter was geweest: konijn kopen en meteen van kant maken, nog voordat er weke gevoelens zouden opborrelen. Maar morgen, 4 oktober, is een zondag en is de Diersuper dicht. Hij moest wel.
‘Ik praat niet met konijnen,’ zegt hij, draait zijn stoel terug naar de computer en typt aan Willow: heb konijn. ga t doen bij cs. film jij t? 10 uur daar.
‘Ik sterf van de honger,’ zegt het konijn. ‘Als ik niks eet, haal ik het eind van de dag niet.’ Voor een stem van het geweten klinkt het wel heel erg buiten zijn hoofd. Een meisjesstem. Is het een vrouwtjeskonijn? Of hebben mannetjeskonijnen een meisjesstem en vrouwtjeskonijnen een nog veel hoger stemmetje? Tjonge, een pratend konijn voor tweeëntwintig vijftig. Een koopje … Zal hij het konijn iets te eten geven? Hij weet: dat is een glijdende schaal. Het begint met groente, het eindigt met sentimenteel gedoe – een band tussen mens en dier. Gelukkig kan hij al niet meer terug: Willow heeft yepp geantwoord en daarachter een stel emojis: een grijnzende smiley met hoorntjes, een smiley die door zijn handen gluurt, een mes, drie keer een honderdpunter, een spierbal, natuurlijk een konijn, een grafzerk, en zowaar: een wortel. Die wortel doet het ’m.
De koelkast zit niet veel in, zeker geen sla en wortels en wat zei het konijn ook alweer nog meer? Van kaas weet hij vrij zeker dat konijnen dat niet eten, ook geen kipnuggets of Johma eisalade. In een keukenkastje vindt hij een pak Jordans Crunchy Chocolate Granola. Eten konijnen cereals? We zullen het spoedig weten. Het is in ieder geval van planten gemaakt. Hij gooit het pak leeg op een bord.
‘Je galgenmaal, Deilemans.’ Hij zet het bord voor haar neus. ‘Ben jij eigenlijk een mannetje of een vrouwtje?’ Hij pakt het konijn op en kijkt aan de onderkant. Niks te zien. Duidelijk een vrouwtje.
‘Zeg …’ sputtert het konijn. Bradley zet het weer op de grond. Het konijn begint meteen te eten. Uitgehongerd … Hij zal maandag een klacht indienen bij de Diersuper. Eerst morgen het beestje afmaken.
‘Heerlijk, hoor’, zegt het konijn met volle mond, ‘echt lekker. Zoiets heb ik nog nooit gegeten.’
Bradley kijkt toe hoe het konijn het hele bord leegeet. Nu hij weet dat het een vrouwtje is, zou hij haar een naam kunnen geven. Ook omdat ze kan praten natuurlijk. De hele tijd ‘konijn’ zeggen klinkt zo onaardig. Je wilt toch ook niet ‘mens’ genoemd worden?
‘Heb je al een naam?’ vraagt hij.
‘Een naam? Wat moet ik met een naam? Ik ga er morgen toch aan, of niet soms?’
Ja, daar zit wat in.
‘Hoe heet jíj eigenlijk?’
‘Bradley ...’
‘En dat meisje waar je het over had, dat je wilt versieren?’
‘Willow …’
‘Mooie naam. Ook voor een konijn trouwens. Zo wil ik ook wel heten, Willow.’
Ja zeg, hallo …
‘Ben jij nou mijn geweten?’ vraagt Bradley. ‘Of een bijwerking van de wiet? Of gewoon een pratend konijn?’
‘Voor jou een vraag, voor mij een weet.’ Ze kijkt hem een beetje scheel aan. ‘Oef … ik voel me opeens niet zo lekker. Misschien te veel gegeten …’
Ai, misschien toch die cereals?
‘O, o, mijn buik, mijn buik, het gaat niet goed.’ Het konijn valt om.
Bradley schrikt. Niet doodgaan nu … Het is nog geen dierendag en hij krijgt ook vast geen punten voor doodmaken met muesli.
‘Konijn? Willow?’ zegt hij, voorovergebogen over het konijn. Hij voelt aan het konijnennekje. Zo’n snel hartslagje, is dat normaal voor een konijn? Hij raapt het konijn op. Nog een laatste gegorgel klinkt uit het konijnenbekje, dan verliest het konijn zijn bewustzijn en ligt als dood in Bradleys armen.
*
‘Wat heb je hem in vredesnaam te eten gegeven?’ wil de dierenarts weten. Ze heeft zojuist de maag van het konijn leeggepompt.
Hem? Is het dan toch een mannetje?
‘Hoe lang heb je je konijn al?’
‘Een poosje. Nog niet zo heel lang.’
De dierenarts kijkt hem argwanend aan. Ze schrijft iets op een papiertje en geeft het hem.
‘Hier, kijk op deze site. Daar vind je hoe je een konijn moet verzorgen. Ook wat een konijn eet. Hoe heet je konijn trouwens?’
‘Willow …’ antwoordt Bradley. Het floept eruit voordat hij er erg in heeft. Nu heeft ze toch haar zin, het vrouwtjeskonijn dat een mannetje is.
‘Willow … Is dat niet een meisjesnaam? Afijn, wel een mooie naam voor een konijn, daar niet van. Je kunt betalen bij de receptie.’
Hij rekent een bedrag af van honderdzeventig euro voor het leegpompen van de maag. De kosten van de dierenambulance komen daar nog bij: vijfenveertig euro. Met de aanschaf erbij gaat dat dik over de tweehonderd heen. Een golf van haat welt op in zijn hart. Hij haat die dierenarts, die hem door had en een poot uitdraaide. Hij haat Willow, het meisje – en dat hij met zoveel omwegen haar aandacht moet verdienen. Hij haat Carson met zijn stupid lijstjes en zijn stupid geheime genootschap. Hij haat vooral zichzelf, dat hij het zover heeft laten komen dat hij op zaterdagavond laat in de tram zit met een konijn op schoot, op weg naar huis van de dierenkliniek, blut, terwijl iedereen om hem heen op date gaat of gaat dansen in de club.
‘Dank je wel dat je mijn leven hebt gered, Bradley,’ zegt opeens Willow het konijn vanaf zijn schoot.
‘Hm,’ mompelt Bradley, ‘betaal je me wel een keer terug?’
‘Stuur maar een Tikkie, vriend.’
Bradley probeert niet te lachen, wat alleen maar lukt omdat al die haat er nog zit.
‘Hé, jongens,’ roept een type naast hem in het gangpad. Hij houdt zich vast aan een hanglus. ‘Er zit er hier een met een konijn te praten!’ Zijn beide vrienden komen kijken. Ze hebben gedronken, kan niet missen.
‘Zeg nog eens wat tegen je konijn,’ zegt de jongen. ‘Zegt ie wel eens wat terug?’ De vrienden lachen.
‘Kom op, konijn, praten dan!’ De jongen buigt zich voorover en geeft het konijn een por.
‘Blijf met je poten van mijn konijn, hufter!’ roept Bradley. Hij zet het konijn neer op de stoel naast hem en springt overeind. Groot is Bradley niet. Hij moet omhoogkijken. Breed is hij wel, behoorlijk breed zelfs. Alles is vierkant en gedrongen aan Bradley, zijn hoofd, zijn armen, zijn nek, zijn borstkas. Voor een deel is dat aangeboren, voor een ander deel heeft hij er zelf voor gezorgd in de gym.
Bradley grijpt de jongen met beide handen bij de keel. Alle haat richt zich nu op de jongen en zijn vrienden. Hij knijpt en knijpt en knijpt nog harder. De ogen van de jongen puilen uit, zijn wijd open mond hapt naar lucht, maar geen molecuul zuurstof past nog door zijn afgeknepen strottenhoofd. Zijn hoofd zwelt op. Hij grijpt Bradley bij de polsen en probeert zich los te wurmen. Zijn vrienden trekken aan Bradley’s armen, slaan en schoppen en trekken aan zijn haar. Er klinkt een stem uit de intercom van de tram. Maar Bradley laat niet los. Hij denkt maar aan één ding: die gast moet dood. Zo makkelijk is het dus toch om een mens te wurgen. Hij kijkt de jongen in de ogen en in zijn blik ziet hij iets wat hij nooit eerder zag, iets van een miljoen jaar oud: doodsangst. Nu hij die heeft gezien, kan hij niet meer terug. Doorknijpen, doorknijpen, tot hij morsdood is. Nog even …
‘Bradley, hou daar mee op! Stoppen, nu!’ roept Willow met zijn meisjesstemmetje vanaf de tramstoel. Bradley verslapt zijn greep. Hij laat los.
‘Kom mee, wegwezen, die gozer is gek,’ zeggen de vrienden en ze slepen de jongen mee naar de uitgang van de tram. Die kan nauwelijks op zijn benen staan. Hoe dicht was hij de dood genaderd, één minuut, twee, vijf? Bradley gaat weer zitten en neemt Willow op schoot. Hij trilt. Niet van angst maar van opwinding. Ik kon hem killen, denkt hij. Ik had het gekund, ik heb het in me.
Hij pakt zijn telefoon en typt: Heyyy willow. geen konijn. iets veel beters. neem carson mee. dit wil hij niet missen. 10 uur cs.
Willow stuurt meteen een hartje terug.
Bitch …
Member discussion