Pasen

Deel

Op een ijskoude avond eind maart wilde de auto niet starten. Josje, de mama in dit verhaal, moest die avond de deur uit voor het een of ander maar dat ging dus niet door. Ze belde eerst haar afspraak af en toen belde ze de Wegenwacht. Die komen als je pech hebt met je auto, tenminste, als je lid bent van de ANWB. De ANWB is hetzelfde woord voor wegenwacht. Die vier letters betekenen iets maar wat dat weet niemand meer. De w zal wel van wegenwacht zijn. Nooit van de ANWB gehoord? Ja, logisch, omdat je geen nog geen auto hebt … Als je pech hebt met je fiets moet je ze niet bellen, hoor! Dan ga je naar de fietsenmaker. Of je plakt zelf je band.

Nou goed—binnen een uur was daar de man van de ANWB. Hij heette Matz. Zijn achternaam kon mama Josje niet verstaan.

Matz was een jonge kerel, enorm breed, maar dat kon ook komen door zijn pak, dat speciaal gemaakt was voor weer en wind. Josje ging met Matz mee naar buiten en gaf hem de autosleutel. Die ging zitten achter het stuur en probeerde te starten.

‘De gasklep gaat niet open,’ zei Matz, luisterend naar het gehinnik van de motor. ‘Tenminste, dat denk ik.’

‘Hoe weet je dat nou?’ vroeg Josje vol bewondering. ‘Het kan toch net zo goed de accu zijn?’

‘Da's een ander geluid, mevrouw, maar laten we maar eens kijken.’

Ze stapten uit en Matz begon te sleutelen onder de motorkap, terwijl Josje toekeek en rilde van de kou.

‘Wil je een kop thee, Matz?’ vroeg ze en ze hoopte maar dat ze zijn naam goed had onthouden. ‘Of een kop warme chocolademelk?’

Matz was een aardige man tenslotte, met verstand van auto's, en dan 's avonds laat in die kou: dan kon je toch zeker wel iets te drinken aanbieden?

‘Nee, dank u wel, mevrouw,’ antwoordde Matz, voorovergebogen over het motorblok en druk in de weer met een dikke, zwarte slang, die zeker naar de gasklep liep. ‘Met die kou is dat juist niet verstandig. Van warme dranken gaat je lichaam vocht afdrijven. Dan moet ik de hele tijd plassen.’

‘Zeg maar “je” hoor,’ zei Josje. Ze was pas drieënveertig, dus nog lang geen u—vond ze zelf tenminste.

Josje twijfelde of ze weer naar binnen zou gaan, want het was zo geweldig koud. Maar kon je dat wel maken, iemand die jouw auto aan het repareren is alleen laten in de kou en in het donker, en dan zeggen: bel maar aan als je klaar bent? Ze bleef dus maar wachten en trok haar jas dicht om zich heen.

‘Hoe kunnen jullie nou als wegenwachten al die merken en soorten auto's repareren?’ vroeg ze. ‘Je moet toch wel ontzettend veel leren en weten om dit werk te doen, denk ik?’

Eigenlijk schaamde ze zich een beetje, vanwege het tijdstip en de kou. Het was vast iets doms van haar, dat de auto het niet deed. Had ze wel genoeg getankt, bijvoorbeeld?

‘Zo. Nog maar eens proberen,’ zei Matz en hij gaf de autosleutel terug. ‘Zou u de auto willen starten, mevrouw?’

‘Nu al?’ zei ze. ‘En als je u blijft zeggen, ga ik het ook doen tegen jou, hoor!’

Josje startte de auto en warempel, de motor sloeg in één keer aan.

Matz stak zijn duim omhoog en deed de motorkap dicht.

‘Nog even een formulier invullen,’ zei hij. Hij liep naar zijn auto en kwam terug met de officiële ANWB-blocnote.

‘Mevrouw, zou ik misschien even van uw toilet gebruik mogen maken?’ vroeg hij toen. Ondanks dat hij geen warme dranken dronk, moest hij zeker toch plassen.

‘Maar natuurlijk, Matz,’ zei Josje, een beetje verdrietig dat zo’n leuke jongeman maar u bleef zeggen tegen haar. ‘Kom maar gauw binnen, dan kun je meteen een beetje opwarmen.’

‘O ja,’ zei ze, toen ze in de gang stonden en ze de WC had aangewezen. ‘Er is een probleem met de doortrekker. Hij blijft hangen. Je moet hem na het doortrekken even terugduwen.’

Terwijl Josje de woonkamer binnenging en zich afvroeg of Matz nu een grote of een kleine boodschap aan het doen was, stond Matz daar alweer voor haar.

‘Zo,’ zei ze, ‘doe jij alles zo snel?’

Matz knikte. ‘Ja, dat moet wel, als je bij de wegenwacht zit. Zeker met dit weer. Dan zijn er veel pechgevallen. O, en ik heb ook de doortrekker even gerepareerd. Was een fluitje van een cent. Het hendeltje van de drijver bleef steken.’

‘Nee, maar,’ zei Josje. ‘Jullie zijn van alle markten thuis. De ANWC!’

Matz moest er niet om lachen. Hij was veel te serieus voor grappen.

De kinderen kwamen intussen nieuwsgierig kijken naar die brede man in zijn knalgele wegenwachtpak.

‘Kun jij alles repareren?’ wilde Tofik, de oudste van dertien weten.

‘Repareren is mijn vak,’ antwoordde Matz. Hij zei het heel serieus, maar opscheppen was het niet. Sommige mensen kunnen zoiets zeggen over zichzelf, en dan geloof je het gewoon.

‘En dit dan?’ zei Tofik en hij wees naar de computer, waar hij net nog achter zat. Het was een oude laptop, die om de haverklap vastliep. Er verscheen dan een blauw scherm met een onbegrijpelijke boodschap uit het binnenste van de computer.

Matz keek op zijn horloge.

‘Niks ervan, jongens,’ zei Josje, ‘Matz hier is aan het werk. Hij moet auto's repareren en heeft geen tijd voor kinderen die computers in de vernieling helpen.’

Maar Matz liep achter Tofik aan en bestudeerde de computertaal op het blauwe scherm.

‘Nou, even dan,’ zei hij. Hij zette de computer uit, wachtte een paar seconden en zette de computer weer aan. Tijdens het opstarten drukte hij op een toets, waardoor er een geheim scherm verscheen. Matz typte wat en veranderde een paar instellingen, waarna hij de computer opnieuw startte.

‘Zo,’ zei hij, ‘daar heb je geen last meer van, jongen. Alleen één ding: wel netjes afsluiten met het menu en niet met de aan-en-uitknop. Oké?’

Tofik keek Matz vol bewondering aan.

‘Wauw, jij kan echt alles …’ zei hij.

‘D'r is hier wel een hoop stuk in huis,’ zei Matz tegen Tofik. Maakte hij nou toch een grapje?

‘Normaal doet papa alles,’ zei Engel, Tofiks jongere zusje van elf, ‘Maar papa is boven. Hij is ziek.’

Er viel een stilte.

‘Hij gaat dood, zegt de dokter.’ Dit was Ayaantje van zeven, de jongste van de drie.

‘Dood,’ herhaalde Matz zachtjes. ‘Dood, dan ben je bijna niet meer te repareren. Wat heeft je vader dan? Waarom is ie niet in het ziekenhuis?’

De kinderen staarden hem aan. Toen gebeurde er iets bijzonders. Kleine Ayaan deed een stap naar voren en pakte Matz’ hand. Normaal was ze een stil en verlegen meisje, van zichzelf al, en al helemaal omdat ze de jongste was. Maar nu deed ze het gewoon: ze nam wegenwacht Matz bij de hand en leidde hem achter zich aan de woonkamer uit.

‘In het ziekenhuis kunnen ze papa niet meer helpen,’ zei ze. ‘Daarom is hij thuis. Om gezelliger dood te gaan.’

Matz keek over zijn schouder naar Josje. Maar alsof het de normaalste zaak van de wereld was, liep iedereen achter Ayaantje en de wegenwacht aan, de trap op naar boven.

Een van de slaapkamers was ingericht voor de zieke vader van het gezin. Zachtjes, om de stervende niet te storen, gingen ze een voor een de kamer binnen. Daar stonden een bureau met een zacht schijnende bureaulamp en een vaas met tulpen erop, een klerenkast en een ziekenhuisbed. Verder niks.

En daar lag de vader van het gezin, zijn hoofd klein en grauw in het grote witte kussen, de ogen gesloten, de mond halfopen. Was hij al dood? Nee. Als je goed keek, zag je het teruggeslagen laken heel licht op en neer bewegen.

Matz, Ayaantje en de anderen stonden rond het bed en bekeken de zieke. De kinderen begonnen te huilen, en ook Josje kon een snik niet tegenhouden. Het was alsof het, nu met een vreemde erbij, pas goed tot ze doordrong dat papa er straks niet meer zou zijn. Engel nam haar vaders hand en tilde die op. Er kwam geen reactie uit het bed. Ze keek Matz aan. ‘Zie je wel?’ leek ze met die blik te willen zeggen.

‘Kom,’ zei Josje, ‘we gaan weer naar beneden. Papa moet rusten. En de wegenwacht moet aan het werk.’

Ze wilden de kamer verlaten, maar Matz hield ze tegen.

‘Wacht even …’, zei hij.

Iedereen keek hem vragend aan.

‘Hoe heet jullie vader eigenlijk?’

‘Onze papa heet Hans,’ antwoordde Ayaantje.

Matz glimlachte.

‘Hans,’ herhaalde hij. ‘Bijzondere mensen hebben soms heel gewone namen.’

Hij deed een stap naar voren en nam het hoofd van papa Hans tussen zijn grote, niet heel schone automonteurshanden. Voorzichtig tilde hij het hoofd een paar centimeter van het kussen.

‘Hans?’ zei Matz, ‘Hans, kun je me verstaan? Ik ben het. De wegenwacht. Van de ANWB. De auto doet het weer. Het was de gasklep.’

Josje en de kinderen schrokken ervan. Was dit niet heel gevaarlijk? Iemand zijn hoofd optillen met vieze handen als die op sterven lag? En wie was die Matz eigenlijk? Ze kenden hem niet eens …

Maar er gebeurde iets wonderlijks, waar ze het nog lang over zouden hebben.

Papa Hans opende zijn ogen en keek Matz aan.

‘Dank je wel, wegenwacht,’ zei hij, zijn eerste woorden in dagen. ‘De gasklep, ja, dat verbaast me niks … De volgende keer doe ik het weer zelf.’

Dat was alles. Toen sloot hij zijn ogen weer.

Matz legde papa’s hoofd voorzichtig terug in het kussen, draaide zich om en nam met gespreide armen Josje en de kinderen mee de kamer uit. Iedereen was te verbaasd om iets te zeggen.

‘U moet het formulier nog even tekenen, mevrouw,’ zei Matz, toen ze beneden in de gang stonden en hij klaar was met invullen.

Zonder erbij na te denken zette Josje haar handtekening en Matz overhandigde haar een gele kopie van het formulier, die ze in de zak van haar vest stopte.

‘En dan wens ik jullie nog een prettige avond,’ zei Matz. En weg was hij.

Een uur later lagen de kinderen in bed. Mama Josje zat aan de keukentafel en dronk een glas thee. Ze dacht na over deze merkwaardige avond en over de wegenwacht Matz, van wie ze de achternaam niet had verstaan. Misschien stond die op dat formulier. Ze nam het uit haar zak en streek het glad.

Ze las wat de wegenwacht had geschreven en wat ze las was dit:

Gasklep gereinigd
Doortrekker WC hersteld
Computerprobleem opgelost
Vader genezen

Alle verhalen op deze site zijn gepubliceerd onder een Creative Commons BY-NC-ND 4.0 licentie. Je mag de verhalen vrij voorlezen en delen, zolang dit niet voor commerciële doeleinden is en je Rien Wertheim als auteur vermeldt. Bewerkingen of aanpassingen zijn niet toegestaan.

Creative Commons-licentie