9 min leestijd

Rundem joris, seize te bedomen

Het gaat niet goed met papa. Het zit erin dat hij wordt ontslagen op zijn werk. Hij kan er niks aan doen, zegt hij, het komt door de economische crisis. Hij heeft het er de hele tijd over, de economische crisis. Op papa’s werk worden mensen ontslagen omdat er te weinig geld is. Die mensen worden werkloos en verdienen geen geld meer. Papa denkt dat hij nu aan de beurt is om ook ontslagen te worden.

Gelukkig heeft mama nog een baan. Dan kunnen ze toch nog gewoon de huur betalen en in hun huis blijven wonen. Ook als papa wordt ontslagen. Misschien dat ze niet meer op vakantie kunnen. Of dat ze moeten duimen dat de wasmachine niet kapotgaat en ze een nieuwe moeten kopen.

Mama vindt het trouwens maar een smoes, dat van die economische crisis. Gewoon beter je best doen, zegt ze tegen papa.

Anders trekt zich nergens wat van aan. Hij heet Anders en die naam past heel goed bij hem want hij is het ook—anders. Of hij Anders heet omdat hij anders is, of anders is omdat hij Anders heet, moet je aan zijn papa en mama vragen. Die weten het misschien.

Anders is niet alleen anders, hij is ook nog eens heel slim, maar anders slim. Hij kan namelijk heel goed rechtdoor denken, zoals bij rekenen. Dus, een en een is twee en alle sommen die daarna komen. Maar hij kan ook in een bochtje denken. Daarom heeft hij een klas overgeslagen. Hij is zes en zit al in groep vier.

In een bochtje denken gaat zo.

‘Papa, waarom noem je melk melk en kast kast, en niet melk kast en kast melk?’

Papa kijkt op van de krant. De laatste tijd leest hij tijdens het eten altijd de krant vanwege het nieuws over de economische crisis.

‘Dat is een domme vraag, Anders,’ zegt papa. ‘Maar wel een slimme domme vraag.’

Hij kijkt met een glimlach naar mama, alsof hij wil zeggen: zoiets kan nou alleen onze Anders bedenken. Maar hij was even vergeten dat mama boos op hem is vanwege dat ontslag dat er misschien zit aan te komen.

‘Tuurlijk,’ zegt ze tegen papa, ‘ga jij hem ook nog eens aanmoedigen met die flauwekul. En hou op met de krant lezen tijdens het eten.’

Maar voor Anders is het helemaal geen flauwekul. Hij snapt echt niet waarom sommige dingen zus heten en andere dingen zo. Dingen zijn zoals ze zijn maar de woorden voor die dingen hadden net zo goed anders kunnen heten. Trouwens, dat is in andere talen toch ook zo? Melk is bijvoorbeeld du lait in het Frans. En kast is armario in het Spaans. Hebben de Fransen of de Spanjaarden gelijk? Of de Nederlanders? Of niemand? Wat vindt die kast er zelf van hoe die genoemd wil worden? Misschien wil die wel helemaal niet iets heten maar gewoon lekker zichzelf zijn.

‘Mama, mag ik de kast?’ vraagt Anders.

Mama is even in de war.

‘Kast, welke kast?’ vraagt ze. ‘Waar heb je het over?’

‘De halfvolle kast, mama. We drinken toch nooit volle kast?’

Mama wil het eigenlijk niet, maar ze moet nu ook een beetje lachen. Ze schenkt Anders een glas halfvolle kast in.

Anders ontdekt steeds meer gewone dingen die eigenlijk heel raar zijn. Hij kan er niet mee ophouden. Ook op school gebeuren veel gekke dingen, als je er goed over nadenkt.

Anders’ juf, juf Helmy, vraagt de klas hoeveel zeven keer twaalf is. Best een moeilijke som al. Vierentachtig, roept een slim iemand. En negen keer twaalf? Dat is nog moeilijker, want dat gaat over de honderd heen. Het blijft stil in de klas.

‘Anders?’ vraagt juf Helmy. Als niemand het weet, vraagt ze het altijd aan Anders. Die weet het altijd. Maar vaak houdt hij zijn mond omdat een ander het ook wel eens mag weten. Hij kan eigenlijk net zo goed nog een klas overslaan.

‘Selderijwortelbloemkool,’ antwoordt Anders.

Iedereen draait zich om naar Anders. Van Anders kun je alles verwachten, maar wat is dit nu weer?

‘Selderijwortelbloemkool,’ zegt Anders nog een keer.

Nu barst de hele klas in lachen uit.

‘Stilte!’ roept juf Helmy boven de herrie uit. ‘Stil-te! Anders, hou je mij voor de gek? Je weet best dat negen keer twaalf honderdacht is.’

‘Hm-m,’ zegt Anders, ‘maar honderdacht is saai. Een, twee, drie is saai. Ik wil rekenen in het groentenstelsel.’

‘Het groentenstelsel?’ vraagt juf Helmy.

Anders staat op en gaat voor de klas staan. Hij durft wel zeg. Maar ja, hij is dan ook anders.

‘Kijk,’ begint hij uit te leggen, ‘we hebben maar tien groenten nodig in het groentenstelsel. Wortels, selderij, rode kool, bietjes, spinazie, andijvie, boontjes, broccoli, bloemkool en prei. Wortel is nul, prei is negen. Honderdenacht is dus selderijwortelbloemkool.’

Terwijl hij praat heeft Anders de cijfers nul tot negen op het bord geschreven en kleine plaatjes van de groenten erbij getekend. Tekenen kan hij ook als de beste. Sommige kinderen kunnen ook alles.

‘Erg leuk, Anders,’ zegt juf Helmy, ‘maar dat lijkt me geen goed idee. Zo raken we alleen maar in de war. Gewoon rekenen met een tot tien is al moeilijk genoeg.’

Ze veegt de plaatjes van het bord.

‘Nee, juf, niet doen!’ roept de klas. ‘Wij willen groentenrekenen!’

Iedereen begint door elkaar te schreeuwen.

‘Kan het ook met fruit, Anders?’ vraagt iemand. ‘Ik hou niet van groente.’

‘Of met automerken?’ roept weer iemand. ‘BMW is 1, Audi is 2, Maserati is 10?’

Iedereen wil nu opeens anders gaan rekenen. De een bedenkt dat het met kleuren kan, een ander met snoep. Het wordt steeds gekker.

‘Zweetpies keer snot is oorsmeerpoep!’

De klas buldert. Alleen juf Helmy doet niet mee. Die wil alleen maar rekenen met een tot tien. Maar rekenen met een tot tien wil niemand meer. Er wordt trouwens helemaal niet meer gerekend die ochtend.

’s Avonds gaat de telefoon bij Anders thuis. Het is de directeur van de school. Papa en mama moeten maar eens langskomen voor een gesprek over hun zoon. Papa wil weten wat er aan de hand is, maar dat zal hij wel horen als hij langskomt.

Het gesprek is op een avond een paar dagen later. De directeur praat en juf Helmy zit erbij en knikt af en toe dat ze het ermee eens is. De directeur vertelt namelijk dat het zo niet langer gaat. Niet dat Anders een vervelende jongen is, of zijn best niet doet. Maar hij maakt iedereen in de war. Juf Helmy komt helemaal niet meer aan lesgeven toe, legt de directeur uit, en juf Helmy knikt heftig van ja.

‘We weten er alles van,’ zegt mama met een zucht. ‘Bij ons thuis is het ook een puinhoop. Eten, spelletjes doen, opruimen, alles raakt in de war door dat verwisselen van woorden van Anders. We zijn ook al met hem naar de loodgieter geweest.’

‘De loodgieter?’ vraagt de directeur.

‘Oeps, zei ik loodgieter?’ zegt mama. ‘Zo noemt Anders hem. Ik bedoel natuurlijk de huisarts.’

‘Aha, de huisarts … En wat zei die?’

‘Hij zegt dat we … eh … dat we er het beste gewoon aan mee kunnen doen. Dan is de lol er snel vanaf voor Anders en wordt alles weer gewoon.’

‘Eraan meedoen?’ vraagt juf Helmy verschrikt. ‘Stel je voor! Hoe moet ik de kinderen dan nog lesgeven? Ze raken allemaal in de war van die onzin. Hoe moeten ze ooit overgaan naar groep spinazie?’

Haar stem trilt. De directeur haalt een zakdoek uit haar zak en geeft die aan juf Helmy.

‘Geen sprake van, mevrouw,’ zegt ze. ‘We kunnen en mogen hier niet aan meedoen. Dat zou het einde van de school betekenen. U moet een hartig woordje met Anders spreken. Wat anders … moet Anders van school af.’

Mama schrikt. Straks is niet alleen haar man ontslagen, maar ook nog haar kind van school gestuurd.

‘We zullen het er met hem over hebben, mevrouw,’ zegt ze. ‘Echt, maakt u zich geen zorgen. Alles wordt weer zoals het hoort met de woorden en getallen en zo.’

De volgende morgen zitten papa en mama al aan de ontbijttafel als Anders de eetkamer binnenkomt. Ze hebben van tevoren bedacht wat ze gaan zeggen, wie het zegt en wat ze antwoorden als Anders met een of andere slimmigheid komt. Ze kijken hem alvast streng aan.

Maar Anders heeft de avond ervoor, terwijl zijn vader en moeder bij de directeur en juf Helmy zaten, juist een nieuwe ontdekking gedaan. Het duurt meestal een uurtje of wat voordat hij in slaap valt. Die uurtjes wakker in bed zijn voor hem de fijnste van de dag. Zijn gedachten galopperen door zijn hoofd als wilde paarden over de prairie. Overal mogen ze heen van hem, die gedachten, en de raarste sprongen maken. De avond ervoor ontdekt hij, zittend op de rug van een wilde gedachte, dat er heel veel woorden bestaan. Maar nog veel meer woorden niet.

Dus, als Anders de volgende morgen beneden komt en zijn vader en moeder al aan tafel ziet zitten, begroet hij ze in een taal die niks betekent:

‘Rundem joris, seize te bedomen!’

Daarna gaat hij zitten, pakt een boterham, smeert er appelstroop op en begint te eten.

Papa en mama zijn zo verbaasd dat ze opeens vergeten zijn wat ze wilden zeggen. Ze kijken elkaar aan, kijken naar Anders en kijken dan elkaar weer aan.

‘Rundem joris, seize te bedomen?’ herhalen ze de woorden van Anders.

En omdat ze het precies op hetzelfde moment zeggen, en omdat het zo raar klinkt, maar tegelijk zo lekker uit je mond rolt, en omdat het zo, ja, hoe moet je ’t noemen, zo verliefdig klinkt, kunnen ze het niet laten naar elkaar te glimlachen. Voor het eerst sinds weken. Sinds de economische crisis is begonnen eigenlijk. Papa legt zijn hand op mama’s hand. Opeens voelen ze zich selderijwortel jaar jonger.

Anders lacht ze vriendelijk toe.

‘Knerfse henepit?’ vraagt hij met volle mond en mama, die haar jongen steeds beter begrijpt, schenkt een kop thee voor hem in.

‘We zijn trots op je hoor, jongen,’ zegt ze iets heel anders dan ze eerst van plan was. ‘Maar doe je een beetje voorzichtig met juf Helmy? Ze is een beetje huilerig de laatste tijd.’

‘Sleum zwimmel,’ antwoordt Anders. ‘Kaproe kakenou illem piskebit.’

‘Zo is het,’ zegt papa met pret in zijn ogen. ‘Fijn dat je zo verstandig bent.’

En zo begint ieder aan zijn dag. ’s Avonds, bij het avondeten nemen ze de dag door. Papa begint. Misschien is er nieuws over zijn ontslag.

Hij vertelt dat hij bij Ben Sjoelen, de directeur, moest komen, helemaal boven in het gebouw, waar de gewone werkmensen eigenlijk nooit komen.

‘Wat zeg je?’ vraagt moeder verschrikt. ‘Nee toch, hè? Het zal toch niet waar wezen?’

Papa luistert niet en vertelt verder.

‘Ik kom de kamer van Ben Sjoelen binnen en die komt meteen naar me toe, geeft me een hand, zegt iets vriendelijks en ik mag gaan zitten. Nou, ik weet meteen dat het mis is. Als de directeur zo vriendelijk doet en je mag gaan zitten, dan weet je wel hoe laat het is. “Hoeveel jaar werk je nou bij ons, beste man?” begint hij. Ja, die vraag ken ik. Zo klinkt het begin van je ontslag. Dus ik zeg: “Selderijandijvie jaar.”’

‘Wát heb je gezegd?’ roept mama verschrikt.

‘Ja, dat vroeg Ben Sjoelen ook,’ zegt papa. ‘Dus ik zei het nog een keer: selderijandijvie jaar.’

‘Je bent niet goed snik!’ roept mama uit. ‘Je wílt gewoon ontslagen worden. Dat is het! En wat zei Ben Sjoelen? Je kon zeker meteen vertrekken?’

‘Welnee,’ vertelt papa doodkalm. ‘Ben Sjoelen keek me aan en hij wist het niet meer. Hij wist niet meer wat hij moest zeggen. Dus weet je wat ik zei? Nou, raad es?’

Papa kijkt de tafel rond. Mama weet het niet dus zegt Anders het maar.

‘Rundem joris, seize te bedomen.’

‘Precies!’ roept papa uit, ‘Precies! Dat zei ik. “Rundem joris, seize te bedomen.”’

‘Neeee!’ gilt mama. ‘Zeg dat het niet waar is! Je maakt zeker een grapje?’

‘Niks grapje,’ zegt papa. ‘Zo waar als ik hier zit. Ben Sjoelen kijkt mij aan met zo’n half lachje van iemand die niet weet of hij voor de gek wordt gehouden. Hij had natuurlijk van tevoren bedacht wat hij zou gaan zeggen. Als ik bijvoorbeeld zou zijn gaan huilen of schelden of juist niks zou zeggen. Maar dit … Afijn, na een poosje pakt hij pen en papier en hij zegt: “Rundem joris, seize te bedomen.” En warempel, jongens, hij schrijft het op ook. Het is op zijn kop, maar ik kan het duidelijk lezen: “Rundem joris, seize te bedomen.”’

Mama is er stil van. Hoe loopt dit af?

Anders trekt zich zoals gewoonlijk nergens wat van aan en zegt:

‘Kwamie teute ek nie zoemele.’

‘Pratse striepel joe die tiefel,’ antwoordt papa en daar moeten papa en Anders erg om lachen.

Dan vertelt hij verder.

‘Ik wees naar Ben Sjoelen zijn stropdas en ik zeg: “Soepsen hebbel koevetter.” Ben Sjoelen kijkt naar zijn stropdas. Hij denkt zeker dat er een vlek op zit. “Kwamdan?” vraagt hij. Ik schud mijn hoofd, sta op en loop op hem af. Hij staat ook op. We schudden elkaar de hand en dan geven we elkaar een hug. Alsof ik zijn broer ben die hij jaren niet heeft gezien. “Tjop!” zegt hij tegen me, “kermanzine beum”. Dan brengt hij me naar de deur en laat me heel vriendelijk uit. Ik loop op de gang naar de lift en hij roept me nog na: “Rundem joris, seize te bedomen!”’

Anders heeft zijn bord leeg. Mama is helemaal vergeten te eten.

‘En toen? En nu?’

Papa haalt een brief uit zijn binnenzak.

‘Wat is dat? Je ontslagbrief zeker?’

‘Hier,’ zegt papa, ‘lees zelf maar.’

Mama neemt de brief aan en leest voor:

Kwamzik!

Doebel trop kalemaai loeken eldrib. Zoebedoep tolf ek billem. Ronderen inne flikkerd pleutstijl. Tottum haaibat: rundem joris, seize te bedomen.

Rilderip grijt,
Lauwzik Ben Sjoelen

Mama laat de brief zakken. Ze staart papa aan. Die glimlacht alleen maar.

‘Er staat niet dat je ontslagen bent,’ zegt ze aarzelend en ze leest de brief nog eens na. ‘Er staat alleen in dat je … eh …. dat je … nou ja … wat staat er eigenlijk?’

En dan begint ze te lachen. Eerst gewoon lachen, van opluchting waarschijnlijk. Dan steeds harder. Want wat een grappige brief is het, en wat een grappige man, die Ben Sjoelen. Schaterlachen wordt het. De brief gaat van hand tot hand en tussen het lachen door roepen ze om beurten: flikkerd pleutstijl … zoebedoep tolf … lauwzik Ben Sjoelen … En dan komt er weer een lachgolf.

Het loopt uit op een feest. Papa haalt een fles uit de kelder. Opeens is er ijs. Mama flerpt papa bij zijn ochtels en Anders knirpt de hole moek fen dar halstoe. Wiederna teich behinnen pakkels ten te sjebber achmenaai. Kwem, kwem, kwem: rundem joris, seize te bedomen!

Alle verhalen op deze site zijn gepubliceerd onder een Creative Commons BY-NC-ND 4.0 licentie. Je mag de verhalen vrij voorlezen en delen, zolang dit niet voor commerciële doeleinden is en je Rien Wertheim als auteur vermeldt. Bewerkingen of aanpassingen zijn niet toegestaan.

Creative Commons-licentie