Bemande hemelvaart
Oma Zamina was de allerliefste oma ter wereld en nu is ze er niet meer. Ze is overleden. Dood moet je niet zeggen. Dood is doder dan overleden.
Driss weet niet goed hoe hij moet huilen. Hij wil het wel en hij weet heus wel dat het hoort. Maar het lukt niet, al is hij nog zo verdrietig. Het is gewoon zijn eerste keer dat er iemand dood is—sorry, is overleden. En de eerste keer is altijd moeilijk.
Voor mama is het niet de eerste keer. Zij kan wel huilen om oma. Mama legt huilend uit dat oma nu naar de hemel gaat. Driss wil weten wat dat is, de hemel, en waar de hemel is, en hoe je daarnaar toe gaat dan. En hoe dat kan, naar de hemel gaan als je bent overleden, zo’n verre reis.
Mama zegt dat zij dat ook niet allemaal weet. De hemel is ergens daarboven, denkt ze. Bij de maan en de sterren, vraagt Driss? Nee, hoger nog, denkt mama. Maar zeker weten doet ze het niet.
En wat gaat oma doen dan, in de hemel? Koekjes bakken? Oma Zamina bakte altijd koekjes. Voor iedereen. Amandelkoekjes met oranjebloesemwater, knapperige beschuitjes met anijs, bladerdeegkoekjes. Die nam ze mee als ze op bezoek ging bij iemand die ziek was of eenzaam of anders zielig. Oma had een geheim recept, nog uit het land waar ze vandaan kwam. Gelukskoekjes, noemde iedereen haar koekjes. Ze had Driss beloofd hem binnenkort het geheime recept te verklappen, maar dat kan nu niet meer. Nu zal hij het nooit weten.
Komt iedereen in de hemel, wil Driss weten? Dat weet mama ook al niet, maar oma vast en zeker wel, vanwege het koekjes bakken voor de zielige mensen.
Normaal weet mama altijd hoe alles zit. Wat Driss ook vraagt, mama heeft een antwoord. Maar nu, met die hemel en overleden oma, weet ze het niet meer. Driss durft ook niet door te vragen, vanwege dat mama zelf ook zo verdrietig is over oma. Oma is was namelijk haar moeder. Mama weet wat je moet doen als er mensen doodgaan: gewoon een potje huilen. Sorry, niet doodgaan. Overlijden.
Toch wil Driss weten hoe het zit.
Op school heeft hij gehoord dat er binnenkort een raket vertrekt naar de hemel. Het is een raket van Bilal Rahimi, de rijkste mens van de wereld. Die heeft al raketten gestuurd naar Mars. Met mensen erin en die zijn ook teruggekomen en hebben verteld hoe het is op Mars. Sommige mensen zijn er zelfs gebleven en werken daar nu voor Bilal Rahimi.
Nu, vindt Bilal Rahimi, is de hemel aan de beurt. Iedereen heeft het erover, de eerste bemande hemelvaart. Bemand wil zeggen dat er iemand meegaat om een kijkje te nemen en dan terugkomt op aarde om erover te vertellen. Alleen weet niemand nog wie Bilal Rahimi wil dat er meegaat in de raket naar de hemel. Wie de eerste hemelastronaut wordt. Je noemt het bemand, trouwens, maar het kan ook met een vrouw.
Dus pakt Driss de telefoon en belt Bilal Rahimi.
‘Hallo?’
‘Met Driss. Spreek ik met Bilal Rahimi?’
‘Daar spreek je mee.’
‘Mijn oma is dood. Ik bedoel, ze is overleden. Ze gaat naar de hemel en ik wil graag mee. En nu dacht ik, mogen wij, mijn oma en ik, mee in uw raket met de bemande hemelvaart?’
‘Hoe oud ben je en waar woon je?’ wil Bilal Rahimi weten.
‘Ik ben 8 jaar en mijn oma was 80 en we wonen in Overtoomse Veld.’
Dat zegt Bilal Rahimi niks, Overtoomse Veld. Hij legt uit dat hij echt heel zeker moet weten dat de mensen die meegaan met de bemande hemelvaart ook naar binnen mogen in de hemel. Het is een hele dure reis, veel duurder nog dan de reis naar Mars. En dan kun je het niet hebben dat de mensen die meegaan niet naar binnen mogen. Dan is alles voor niks geweest.
‘Ik weet heel zeker dat oma naar binnen mag in de hemel,’ zegt Driss. ‘Ze bakte de allerlekkerste koekjes. En die nam ze mee naar zielige mensen. Het waren gelukskoekjes. Maar het recept weet ik niet.’
Driss vertelt hoe lief oma nog meer was. Dat iedereen in de buurt haar kende en met z’n problemen bij haar kwam. En van die keer dat de burgemeester op bezoek kwam om kennis te maken met oma. Er is ook een straat in Overtoomse Veld vernoemd naar oma Zamina, de Oma Zaminastraat.
Dat van die Oma Zaminastraat is niet helemaal waar maar het gaat vast binnenkort gebeuren, dat er een Oma Zaminastraat komt, en dus vertelt Driss het alvast aan Bilal Rahimi.
Die wordt steeds enthousiaster aan de telefoon. Eindelijk heeft hij mensen gevonden voor zijn bemande hemelvaart: oma Zamina en Driss. Oma Zamina moet toch naar de hemel en dan kan ze daar meteen blijven. En Driss mag een kijkje nemen en als hij terugkomt kan hij vertellen hoe het is in de hemel.
‘Geef me je mama maar even aan de telefoon,’ zegt Bilal Rahimi. ‘En ga je koffer maar pakken. We vertrekken morgen.’
Mama vindt het wel spannend allemaal en alles gebeurt zo inenen tegelijk, oma overleden en Driss mee naar de hemel. Maar toch mag het. Na veel zeuren door Driss. En door Bilal Rahimi die zegt dat er niks mis kan gaan met die raket. Die is net zo veilig als tram 13, verzekert hij. Hij heeft snel opgezocht dat tram 13 door Overtoomse Veld rijdt.
De volgende morgen klimt Driss langs een lange ladder omhoog naar de cockpit van de raket. De kist met oma erin gaat met een hijslift omhoog. Beneden, op veilige afstand van de vlammen van de lancering, staan de mensen die zijn komen kijken. Mama staat naast Bilal Rahimi en wuift met een witte zakdoek. Of ze huilt kan Driss van deze hoogte niet zien maar hij denkt van wel. Niet huilen, mamsie, denkt Driss. Overmorgen ben ik terug. En morgen is oma in de hemel.
Hij zit boven in de raket en kan vanaf zijn plek het hele heelal zien. De kist met oma is goed vastgebonden want straks is er geen zwaartekracht en gaat alles in de cockpit zweven. Pas in de hemel mag oma eruit. Even geduld nog.
De eerste planeet die ze tegenkomen op weg naar de hemel is Mars. Die ziet eruit als een granaatappel bij oma op de fruitschaal. Ze maken een korte stop om brieven en pakketjes af te geven en op te halen. De Marsbewoners wensen hem goede reis. En dan weer door, verder de ruimte in. Nog meer planeten komen ze tegen: de enorme planeet Jupiter, dan Saturnus met zijn ringen als de rand van een hoed, en de ijskoude sneeuwbal Uranus. Neptunus is er niet. Die staat net even op een andere plek in zijn baan om de zon. Al die planeten, denkt Driss—geef mij maar de aarde.
En dan … daar … is dat de hemel? Warempel, jawel, dat moet hem zijn. De hemel lijkt wel erg veel op onze aarde, denkt Driss. Veel kleiner dan Jupiter en Saturnus bijvoorbeeld, net zo mooi blauw als de aarde en net zo groot ook. Of liever gezegd, net zo klein. Geen wonder dat je de hemel niet kunt zien vanaf de aarde. Hij is te klein en te ver weg. Een mooi, klein, rond, doorzichtig blauw bolletje—de hemel—dat aan een onzichtbare draad in het heelal lijkt te hangen. Alsof er ieder moment een reusachtige schaar uit de duisternis kan verschijnen en het draadje kan doorknippen. Maar dat gebeurt natuurlijk niet. Dit is de hemel.
‘Hallo Driss, hier Bilal Rahimi,’ klinkt het uit de intercom. ‘Je zou nu de hemel moeten kunnen zien. Wat zie je? Over en uit.’
‘Ik zie de hemel, meneer Rahimi, recht voor me. Hij lijkt op de aarde. Over en uit.’
‘Dat dacht ik al, Driss. Maak maar een paar foto’s.’
Driss maakt een selfie met de hemel op de achtergrond en stuurt die door naar de aarde.
‘Wil je je moeder nog even spreken, Driss?’
‘Driss! Hoe is het daar?’ vraagt mama. ‘Hoe is het met oma?’
‘Het gaat heel goed, mam. Oma zit nog veilig in de kist. Nog even. Dan mag ze eruit. We gaan zo landen. Over en uit en sluiten.’
Daar beneden ziet Driss een gebergte, slierten wolken tussen de bergtoppen, rode rotspartijen en groene weiden, en witte dorpjes tegen de hellingen aangeplakt. Verderop de zee, blauwer dan blauw. Ze landen midden op het dorpsplein van een bergdorp.
Bilal Rahimi heeft gelijk gehad. De raket is net zo veilig als tram 13. Driss opent het deurtje van de cockpit en klimt de ladder af. De kist met oma wordt naar beneden getakeld door het hemelpersoneel. Rondom de raket staat de menigte ze al op te wachten.
‘Jij moet Driss zijn,’ zegt een mevrouw die warempel erg op oma lijkt. ‘Mijn achterkleinkind! Ach lieverd, kom hier …’ En de vrouw, die kennelijk Driss’ overgrootmoeder is, geeft hem een dikke knuffel. Nou ja, lief bedoeld natuurlijk, maar dat hoeft nou ook weer niet. Ze kennen elkaar geeneens.
Dan gaat de kist open en Oma Zamina komt tevoorschijn, precies zoals ze was op aarde, maar toch ook weer helemaal niet. Ze is oud en jong tegelijk. Dus dat is wat je bent in de hemel, leeftijdloos, 8 en 80 tegelijk.
Oma Zamina lijkt iedereen hier te kennen en iedereen kent haar. Ze vallen elkaar in de armen en lachen en huilen van blijdschap en roepen elkaars naam. Dan ziet Oma Zamina Driss en ze schrikt.
‘Wat doe jij hier, Driss? Wat is er in hemelsnaam gebeurd?’
Driss snapt opeens dat oma denkt dat hij ook is overleden en nu in de hemel is.
‘Niks aan het handje, oma. Ik mocht mee in de hemelraket van meneer Rahimi. Maar ik ga straks weer terug naar huis. Afijn, ik leg het nog wel een keer uit.’
‘Kom, dan laat ik je het dorp zien,’ zegt oma opgelucht. ‘Hier ben ik geboren en opgegroeid. Voordat ik verhuisde naar Overtoomse Veld.’
Oma pakt Driss’ hand en leidt hem vanaf het dorpsplein door de smalle straatjes, omhoog en omlaag langs trappen en door steegjes en langs pleintjes. Aan de muren hangen bloempotten in allerlei kleuren. Mensen hangen uit het raam en staan in de deuropening en begroeten oma en Driss. Links en rechts zijn winkeltjes waar ze van alles verkopen, groente, fruit, noten, kruiden, platte broden, dadels, olijven. Er zijn kappers en koffietentjes en winkeltjes die ouderwetse rommel verkopen. Leuk hoor, denkt Driss, maar om nou te zeggen de hemel … meer een vakantie. Maar hij zegt niks natuurlijk. Oma vindt het prachtig allemaal. Ze krijgt geen genoeg van de rommel in de winkeltjes en ze koopt van alles waar je niks aan hebt, volgens Driss. Nou, ‘koopt’—ze neemt het gewoon mee. In de hemel hoef je in winkels niet te betalen.
‘Nou, oma,’ zegt Driss als hij het wel gezien heeft, ‘ik moet weer terug. De raket vertrekt.’
En samen wandelen ze terug naar het dorpsplein. Het hele dorp loopt uit om afscheid te nemen van Driss. Oma stopt Driss snel nog een papiertje in de hand. Driss kijkt ernaar: Recept voor gelukskoekjes, staat erop geschreven. Nu kent hij toch het recept.
‘Doe iedereen thuis de groeten uit de hemel!’ roepen ze terwijl Driss plaatsneemt in de cockpit en uit het raampje naar beneden zwaait.
De raket begint te branden en weg is Driss.
De volgende dag is hij weer thuis in Overtoomse Veld. Drukke dagen breken aan. Hij moet verslag uitbrengen aan Bilal Rahimi, moet een spreekbeurt over de hemel houden op school en hij gaat langs bij alle buurthuizen, bejaardenhuizen en verpleeghuizen. De oudjes uit Overtoomse Veld willen allemaal weten van Driss, was die er, en heb je die en die ook gezien? En op dat dorpsplein, was daar ook een bakkerijtje met blauwe luiken?
Driss weet dat allemaal niet meer en denkt, ga zelf maar kijken binnenkort.
De burgemeester komt ook weer langs. Ze heeft een plein gevonden in Overtoomse Veld met de naam van een kunstschilder die allang is overleden. Dat plein gaat vanaf nu het Oma Zaminaplein heten. Zie je wel? En niet een straat, een heel plein krijgt oma! De burgemeester komt er speciaal voor terug om het naambordje officieel te onthullen.
Op de terugweg naar huis van het Oma Zaminaplein wandelt Driss door de buurt. Ach, Overtoomse Veld ... Al ligt er troep op straat en in de plantsoenen, één ding weet hij wel. Als hij over 80 jaar of zo zelf doodgaat—zeg maar gerust dood hoor, zo erg is dat niet, dood—als hij zelf ooit doodgaat en in de hemel komt, dan is die niet zo’n bergdorp als dat van oma Zamina. Zijn hemel wordt gewoon Overtoomse Veld.
En dat geheime recept voor de gelukskoekjes? Dat is helemaal niet zo’n geheim, hoor. Het geheim van oma was dat ze die koekjes zelf bakte en zelf rondbracht. En dan een praatje maakte. Het werkt eigenlijk met alle koekjes. Als je ze maar zelf bakt en rondbrengt.